maandag 4 april 2011

Mullerthal Trail 2 - drie dagen genieten

Een driedaagse trektocht in La Petite Suisse, GH Luxemburg
Vrijdag 1 april 2011
Na een ritje van zowat 265 km arriveren we in Berdorf. Het is een bewolkte dag, maar helemaal niet koud. We parkeren de auto ten westen van het dorpje en beginnen rond de middag aan onze trektocht. Enkele honderden meters verder krijgen we al een eerste blik op de fascinerende zandsteenformaties, ter hoogte van de Predichtstuhl. Daar pikken we de “Mullerthal Trail 2” op. De “Mullerthal Trail” is een 110 km lange trekking, opgedeeld in 3 circuits van elk 30 à 40 km.
Het wandelpad is uitstekend gemerkt, met een sierlijke rode “M”. Gauw doorkruisen we hoge rotsformaties. De erosie heeft ze grillig uitgesleten, en ze worden vaak doorsneden door grote kloven. Beneden in de kloven is het vaak duister en de rotsen zijn er groen bemost. We laveren van de ene kloof naar de andere, trap op of trap af want waar het paadje te steil wordt, hebben de ijverige Luxemburgers trapjes voorzien van zandsteenblokken of houten balkjes. Het bos is prachtig, de frisgroene blaadjes beginnen te botten en de bodem is getooid met duizenden bosanemonen of bosviooltjes: het echte lentegevoel dus!
Na enkele kilometers brengt een smalle kloof ons in een echte grot, de Keltenhiel. Ruime zaal, onze zaklampjes worden boven gehaald. Er is een “doorsteek” mogelijk naar een andere uitgang, langs een kruipgang plat op de buik, maar dat is geen optie met onze rugzakken:.
We naderen Mullerthal, een pittoresk dorpje. Tegen dan hebben we geconstateerd dat het water van onze nieuwe waterzakken een afgrijselijke plastieksmaak heeft, dus wanneer we op de camping van Mullerthal een inboorling spotten, vragen we hem om water zodat we de inhoud kunnen verversen. De inboorling blijkt van Hoboken afkomstig te zijn...de wereld is klein.
Een van de vele kloven
Bij het buitenlopen van het dorp worden we aangesproken door een “echte” autochtoon. De man heeft zonet voor demonstratiedoeleinden in een traditionele houtoven een tiental heerlijke broden gebakken. Hij wil ons er graag één cadeau doen. En nog een lekker uitziende koek erbij. Dat kunnen we niet afslaan... wel een dikke halve kilo erbij. Verder maar, langs de obligate Schiessentumpel, het emblematische watervalletje dat op zowat elke postkaart of toeristenfolder van Luxemburg prijkt. Heel mooi, maar jammer dat het water van de beek een vies, stinkend, open riool is. De weg vervolgt nu richting Consdorf, hoog in het bos, aan de voet van grillige rotsen, maar wel boven een vrij druk bereden weg die voor nogal wat lawaaihinder zorgt. Tijd voor een vieruurtje, de lekkere koek van de warme bakker wordt verorberd. Voor Consdorf slaan we af, in zuidelijke richting en zitten we weer ver van de beschaving, in een magnifiek valleitje. Hier komen we doorheen een reeks van bijzonder leutige nauwe kloven, met namen als Rittergang of Déwepetz. Meestal tientallen meters hoog maar hooguit 60 cm breed. Annette moet haar nogal brede rugzak afzetten en er doorsleuren, niet zo simpel. Ik vertik het de rugzak af te zetten en wroet en wring mij erdoor, soms op handen en voeten. Aan de Kohlscheuer moeten we forfait geven, deze kloof is veel te nauw en bovendien aardedonker. Gelukkig is hier een omweg mogelijk. We laten de rugzakken staan en met onze zaklampjes doen we dus weer aan speleo. Er zijn hier een viertal van dergelijke spleten te doen, voor de liefhebbers. Voor kinderen een paradijs uiteraard, voor vermoeide wandelaars niet altijd even gewenst.
Sukkelen met de rugzakken in de vele nauwe kloven
Intussen doet mijn knie me al een paar uur duchtig pijn (na de zomer moet die meniscus echt geopereerd worden!) en mijn doorgezakte voet is al niet beter. Grrr! En zeggen dat Annette altijd met een zere poot rondloopt... dan mag ik nog niet klagen. Dus is het met een zucht van verlichting dat wij twee mankepoten in de buurt komen van ons kampeerplekje dat ik vooraf op Google Earth had gespot: een weide, ver weg van huizen of wegen. We vullen de waterzakken aan een zeer dubieus beekje bij (genoeg Micropur erbij) en klimmen uit de vallei naar het 40 m hoger gelegen plateau. We zijn nu bijna 13 km onderweg sinds Berdorf. Tijd voor iets anders dus: rust!
De weide is zeer geschikt, we beginnen de tent recht te zetten. Annette vreest dat er everzwijnen in het bos zitten, dat inderdaad op veel plaatsen omgewoeld is. Voor de grap doe ik een paar keer “knor knor” en exact 10 seconden later verschijnt er een hele bende baby-everzwijntjes. Nooit zo’n kleintjes gezien, het lijken eerder overmaatse hamsters. Schattig hoor! Wanneer ze tien meter van ons zijn, trippelen ze gauw uit het zicht, maar een minuut later zijn ze er weer! Oei, we hebben geen zin in een confrontatie met een boze Mama of Papa Zwijn (Annette weet daar alles van - ze werd ooit belaagd door zo’n beest) en dus rapen we gauw onze tent bij elkaar en installeren ons een paar honderd meter verder in het veld.
 Net voor het slapengaan
Vroeg in bed voor een nachtje met echte junglegeluiden, want vlak bij ons geven drie verschillende uilen urenlang van katoen.

Zaterdag 2 april 2011
Zoals beloofd door Sabine, is het heerlijk weer. Na het ontbijt zetten we onze tocht verder. Terug omlaag naar het mooie valleitje, en een kilometer verder staan we dan voor de keuze of we de “Extra tour C” erbij nemen of niet. Dat is wel 7 km extra, wat de totale Mullerthail Trail 2 tocht op zowat 38 km brengt. Toch maar doen. Achteraf wat spijt van gehad, want de nacht heeft weinig soelaas gebracht voor knie en voet en dat zal de rest van de dag grondig bederven.
Het gaat verder langs zeer schilderachtige valleitjes en overal weer die zandsteenformaties, in de meest grillige vormen, met donkere holten en spelonken. Heel mysterieus. Na een gigantische duizendjarige eik (stamomtrek minstens 6-7 meter) komen we in een klein dorpje, Altrier, waar we iemand aanspreken om ons drinkwater bij te vullen. Geen probleem, hij troont ons de garage in. Uit ’s mans kraan komt een troebel geelbruin vocht en hoe langer we het laten stromen, hoe bruiner het wordt. Bovendien is het warm water. Ik vermoed dat we zijn chauffage aan het aflaten zijn. Er vlak naast staat nog een kraan, deze geeft gelukkig normaal water!
De bewegwijzering is uitstekend. Het weer ook.
Vanaf hier is de wandeling speciaal voorzien op kinderen, met tal van opdrachten onderweg die we allemaal braaf uitvoeren. We verlaten nu het bos, en komen in weilanden met heel mooie vergezichten. Maar jammer genoeg wandelen we nu niet meer op een bospad, maar op een geasfalteerd fietspad, een oude spoorwegberm in feite (met tunnel en al). Moordend voor de knie en voet en dus moet ik om de kilometer stoppen...
We blijven vele kilometers lang op dergelijke verharde wegen, zeer rustig, dat wel, maar toch niet het echte vrije natuurgevoel. Het is slechts nadat we weer op de normale Mullerthail Trail zijn gekomen, dat we weer op paadjes stappen.
Een klaterend beekje, het is middag, tijd voor te eten, we profiteren van een bruggetje dat mooi in de zon staat om er onze tent over te hangen, die was vanochtend immers zeiknat van de condensatie na een koude nacht in een mistig weiland. Ze droogt zienderogen, intussen eten we onze boterhammetjes. Om 14u gaan we verder, door een breed en zonbeschenen valleitje. Bizarre rotsformaties, met rare namen als Daxelay en Einsidelei, weer honderden trappen op en af tot aan het dorpje Scheidgen.
Blij toch weer in een grot te zijn
De volgende kilometers zijn enig mooi, en het geluk kan niet op wanneer we een klein bronnetje passeren waar we onze watervoorraad kunnen aanvullen. Drinkwater is echt wel een probleem op deze trektocht, de meeste beekjes zijn van een lamentabele kwaliteit en bronnetjes zijn uiterst zeldzaam, want worden meestal gecapteerd.
De volgende vallei is heel breed, wel een halve kilometer. Bivakplaatsen zat, er zijn overal grote overhangende rotsen maar die liggen wel vaak bij het pad. Net dat we hier al veel volk hebben gezien; we lopen al twee dagen quasi alleen. We besluiten dus gewoon enkele tientallen meters te stijgen en vinden een mooie vlakke plaats, heel discreet. Het is 17 u, we hebben er vandaag 15,5 km opzitten. Voor een doorwinterde stapper een lacher, voor zo’n oud stel orthopedische patiënten meer dan genoeg! De matjes worden in de zachte beukenbladeren uitgerold en we ploffen neer voor een half uurtje verdiende platte rust. Vlakbij timmert een specht driftig op een boom, overal kwetteren en zingen de vogeltjes. Het is warm, echt T-shirt weer: dit is het leven. Met een aperitiefje en borrelnootjes zetten we de avond waardig in, daarna stellen we de tent op. Die avond spelen we Yahtzee tot het donker is. Dan onder de wol voor een verkwikkende nachtrust.
Dat noemen ze platte rust!

Zondag 3 april 2011
Om 7u30 staan we op, de vogels zingen zo luid dat verder slapen toch niet lukt. Onze kuiten zijn zo stijf als wat, dat zal aan die honderden (duizenden?) trappen liggen die we hier al hebben gedaan. Ontbijten en opkramen. De eerste kilometers gaat het door enig mooie bossen en valleitjes, daarna lopen we weer 50 meter hoger dan een drukke verkeersweg, de N11 naar Echternach. Het lawaai van auto’s en moto’s lijkt oorverdovend. Hoog boven Echternach draait het pad weer in de richting van ons vertrekpunt, Berdorf. We gaan hier door spectaculaire rotskloven zoals de Wolfschlucht die herinneringen aan mijn kindertijd oproepen. De zandsteen is hier zeer sterk gelaagd en geheel anders geërodeerd dan de rotsen die we gisteren zagen. Vanaf de Perekop, een 40 meter hoge rots die met ijzeren ladders te beklimmen is (ook weer een souvenir van toen ik een jaar of 7-8 was) krijgen we het mooiste stuk van de hele trektocht. De vallei richting Berdorf is schitterend. Een klein beekje heeft hier een soort canyon doorheen het zandsteen gegraven. De rotsen zijn nog vreemder en mysterieuzer, de vegetatie nog overvloediger. Ik betrap me erop mijn 280ste foto te maken! En zeggen dat we vroeger met een rolletje van 36 dia’s zo’n driedaagse “coverden”. Dit stuk is puur genieten. We komen hier ook nogal wat andere wandelaars tegen, doch allen dagjesmensen, aan de mini-rugzakjes te oordelen.
Magnifieke vallei naar Berdorf
Nabij Berdorf volgt nog een laatste attractie: het Hollay, een grote kunstmatige grot. Een zandsteengroeve, waar destijds zandsteen werd uitgehouwen om huizen te bouwen, of om er molenstenen van te maken. De grote ronde afdrukken van deze laatste zijn overal te zien. Rondom het Hollay zijn er zo vele grotten (ideale bivakplaatsen!), in één ervan is een klein amfitheater gemaakt.
In het Hollay, een uitgehouwen grot
Onze tocht nadert zijn einde, we zien de kerktoren van Berdorf in de verte... en dan openen de hemelsluizen zich even voor een plensbuitje. Net genoeg om flink nat te worden. De laatste kilometer is weinig interessant, in Berdorf valt weinig te beleven. De auto staat er nog (altijd fijn), het is rond 14 u wanneer we een punt zetten achter de laatste en kortste etappe (10,4 km).
Het was een zeer fijne trektocht. Smaakt naar meer!
Links
Groot fotoalbum met een selectie foto's van onze driedaagse:
https://picasaweb.google.com/paul.de.bie/MullerthalTrail2#
De Mullerthal Trail, officiële site:
Site waar je alle "trails" als Google Earth (of ander trackformaat) kan downloaden:
http://www.tourfinder.net/de/wander/tour/browse/area/415/index.html
Spéléo in GD Luxembourg van Jack London:
Kaart (is een foto dus niet zo scherp)
Kaart Mullertal Trail 2

Opmerkingen & Tips
Je kan de tocht in gelijk welk dorp aanvatten waar de wandeling passeert. Berdorf of Mullerthal zijn goede keuzes. Rustiger dan Echternach, ook om de auto achter te laten.
De Mullerthal Trail 2 is een circuit van 33 km. Je kan het uitbreiden met de "Extra tour C", dan komt er zowat 6,5 km bij. Echter dit is m.i. geen must; je loopt daar hoofdzakelijk op hard wegdek. Wij deden de tocht in 3 dagen (in feite 2,5 want de eerste dag vertrokken we pas om 12u, en de derde dag waren we om 14u weer aan de auto) maar goeie stappers kunnen het natuurlijk in minder tijd doen ook. Toch is het een relatief zware tocht voor knieën en kuiten, je doet minstens 1000 hoogtemeters, voortdurend (hoge) trappen op en af.
Kamperen mag niet, bivakkeren evenmin. Maar er zijn plaatsen zat om het discreet toch te doen. Je kan ook gewoon onder een overhangende rots slapen, die zijn er met massa's. Drinkwater is een probleem. Je hebt minstens 3 liter per man/dag nodig, in de zomer mogelijk meer. De meeste beekjes zijn vervuild (om niet te zeggen riolen) en bovendien heel klein van debiet. Profiteer van de dorpjes waar je doorkomt om gewoon ergens water te gaan vragen (of bv. op camping in Mullerthal of Berdorf). Als je toch water uit een beekje of bron gebruikt, doe er dan Micropur in of gebruik een kathadynpompje.
Een beetje jammer is dat je op je trektocht nooit heel ver weg bent van dorpjes of wegen. Dus kies je slaapplaats 's nachts ver genoeg daar vandaan.

zaterdag 12 maart 2011

Huttenprospectie in de Vogezen

De rest van Speleoclub Avalon zit voor 5 dagen in het Zwitserse Leysin, om daar de Gouffre du Chevrier te gaan doen. Kamperen in tentjes op 1300 m hoogte in de sneeuw, en dat voor een grot die Annette en ik al gedaan hebben, en bovendien zijn ze al met genoeg (zelfs teveel?) volk... Nee, daar zouden we alleen maar in de weg lopen of koulijden. Dus na bijna een mensenleven lang zowat elk weekend onder de grond te hebben doorgebracht, was het tijd voor iets anders. Laat die grotters maar met hun natte sokken aan de Zwitserse bodem vastvriezen; Paul en Annette gaan op stap in de Vogezen!

Het idee kwam op als hete kak - voor zover deze Antwerpse uitdrukking iemand iets zegt - d.w.z. op het laatste moment én hoogdringend. Terwijl we normaal een stel controle-freaks zijn die alles van tevoren haarfijn uitstippelen, weten we nu tot op het moment van vertrek zelfs nog niet wààr we onze trektocht zullen aanvangen! De rugzakken worden dan ook slechts de avond voordien gauw-gauw volgepropt, zonder veel oog voor gewicht en/of inhoud, en dat laat zich voelen... ruim 18 kg zonder de sneeuwschoenen (+2 kg).

De club-MSR ligt al vele jaren op 600 m diepte in ons ondergronds bivak in de Pyreneeën, dus wordt nog ’s avonds laat een oude Peak One benzinebrander opgekalefaterd. Degelijk en krachtig ding, maar veel te zwaar en benzinedorstig.

 

Donderdag 3 maart 2011

Col de Bramont - Abri de Hinter Bockloch (6,7 km)

Om 8 u vertrekken we, samen met de dolle meute van pendelaars die elke ochtend persé van Antwerpen naar Brussel willen/moeten kruipen. Eens Brussel voorbij rijdt het vlot. Doel zijn de Vogezen, een uur of vijf rijden. Al rijdend stippelen we onze tocht uit. Nu, we zijn nu ook weer niet helemaal als kiekens zonder kop vertrokken, we hebben sedert eergisteren van Bart wat stafkaarten gekregen, en vooral de link naar deze uitstekende hiking site waarop wat winterse Vogezentochten worden verhaald. Die heb ik nog gauw afgeprint en ze worden nu al watertandend doorgelezen. Bovendien kon op die site een lijvig document worden gedownload, samengesteld door ene Joery Truyens, aka "den Dzow", met daarin een beschrijving van liefst 89 vrij toegankelijke hutten in de Vogezen. Bij deze dank ik overigens “den Dzow” op mijn blote knieën want zonder die informatie waren we ongetwijfeld bij -30°C doodgevroren in ons tentje.

Die hutjes-historie intrigeert me zeer. Tientallen hutjes, vaak voorzien van kachel en al, en dat zomaar vrij en gratis en voor niks toegankelijk, waar kom je dat tegen? Daar moeten we het fijne van weten. De rode draad van onze vierdaagse krijgt vorm: we gaan het nuttige aan het aangename paren; voor een keer zoeken we geen grotten maar wel hutten. Een tent nemen we zelfs niet mee, dat bespaart ons taferelen zoals op onze winter-expé van vorig jaar in de Pyreneeën waar we 's ochtends de tenten uit de sneeuw moesten uitgraven (zie http://scavalon.blogspot.com/2010/03/anialarra-winter-expe-2010.html voor een verslagje of https://picasaweb.google.com/paul.de.bie/AnialarraWinterprospectie2010# voor de foto's). Maar uiteraard zijn we wel voorzien op een noodbivak, mochten alle hutjes dicht of volzet zijn…

Woensdag had ik dat huttendocument nog in het klein afgedrukt, en netjes gebundeld tot een pocketboekje, zodat we het gewoon konden meenemen. Echter, zoveel hutjes, we zien even door het bos de hutjes niet meer! De Vogezen zijn groot, wààr juist liggen die dingen in godsnaam? De coördinaten waren in vrij onhandige graden, minuten, seconden uitgedrukt. Een uur was nodig om ze allemaal om te zetten naar het handigere UTM32/WGS84 formaat, vlotter om werken met de GPS want metrisch, en direct afleesbaar op moderne stafkaarten die voorzien zijn van een UTM-rooster. Met wat mumbo-jumbo had ik gisterenavond alle 89 hutten naar Google Earth geëxporteerd, zodat ik nu een zicht heb op waar de grootste concentratie ligt. Dat blijkt (ondermeer) in de omgeving van La Bresse en Bussang te zijn. Mooi zo: wij daarheen.

La Bresse is zo een typisch ski-oord en wie ons kent weet dat we een gezonde aversie hebben tegen alles wat naar "piste"-skiën ruikt (ik maak even abstractie van toerskiën of langlaufen), want er is geen ander tijdverdrijf te bedenken waarvoor zoveel natuur moet sneuvelen als dat. In de straten van La Bresse zien we idioot uitgedoste mensen met hun skilatten onder de arm en hun skihelmen en -brillen al op – alsof de sneeuw hier al begint – terwijl het hier wel zomer lijkt.

Als we de Col du Bramont oprijden, zijn we toch wat ongerust want er is werkelijk geen vlok sneeuw te bespeuren. Rond 14u parkeren we de auto op de Col en tot onze opluchting ligt er hier en daar toch wel een plek harde, bevroren sneeuw.

Vertrek op Col du Bramont

Humm een meevaller dat we tot hier geraakten, want 958 m hoog en (denk ik) in de winter zonder sneeuwkettingen niet te berijden. Het weer kan alvast op onze instemming rekenen: stralende zon bij een temperatuurtje van rond het vriespunt. Echter we hadden niet echt een idee van hoe het weer zou evolueren (nogmaals: zo slecht voorbereid zijn we nog nooit op reis geweest!) en dus gaan regenjas en regenbroek ook maar in de rugzak. Over die sneeuwschoenen staan we ook in twijfel, want hier ligt toch niet veel sneeuw. Toch maar meenemen, want een paar honderd meter hoger kan het er helemaal anders uitzien. Dat hadden we vorig jaar, op onze wintertocht in de Pyreneeën, ook mogen ondervinden.

Allez hop, wij op weg, het is bijna 15u in de namiddag. De tripteller van de GPS wordt op nul gezet. De ambities zijn niet hoog, het vrouwtje met een manke voet en het mannetje met een manke knie: voor niks goed al die speleo! We zullen wel zien waar we geraken, hutten om te overnachten zijn er toch zat en ze liggen meestal slechts 2 à 4 km uit elkaar. Eerste doel is de Col de la Vierge, 2 km verder en 100 m hoger. De weg (normaal een asfaltweggetje) is wit van oude en hard bevroren sneeuw en loopt goed, de sneeuw knerpt onder onze schoenen. Links en rechts van de wegen zijn de vele riviertjes bevroren: leuk, zo zien we toch nog stalactieten… van ijs weliswaar. Het zonnetje doet zijn best, we zijn moederziel alleen: dit is genieten, ver weg van die clownesk uitgedoste bende in La Bresse die denkt dat ze een natuursport beoefent door zich omhoog te laten slepen op een berg en vervolgens van een vol kunstsneeuw gespoten piste te glijden.

Aan de Col de la Vierge staat de Abri de l’Union ons op te wachten. “Abri” is nogal oneerbiedig, dit is meer een huis. Even de deur openduwen: een grote kamer met tafels, banken en een open haard. Maar de betonnen vloer is vochtig en vuil en het is er al bij al niet zo gezellig. Wat te groot voor ons tweetjes, en bovendien: met zo’n open haard stook je vooral de omgeving warm, maar niet de kamer. Verder maar, langs de Route Forestière de la Vierge, in zuidelijke richting dus. De 100 m hoogteverschil maakt dat de sneeuw hier flink dik ligt, dus de sneeuwschoenen worden aangetrokken: oef, 2 kilo minder op de schouders, en we zijn blij dat we dan toch nog in de sneeuw zijn beland. Beetje jammer dat het oude, harde sneeuw is en dat er ook zo goed als niks meer in de bomen hangt. Maar niet getreurd: het is zo wel minder feeëriek, maar stukken gemakkelijker om te stappen.

Twee kilometer verder, een andere hut: de Abri de Blanc Murgers. Ze ligt wat naast de weg, een beetje verscholen in het bos. Deze is al heel wat sympathieker; de houten hut is in twee gedeeld. Het rechterdeel is afgesloten, het linkerdeel vrij toegankelijk (dit zullen we de komende dagen nog bij vele hutten zien: ze zijn meestal gebouwd door de bosbeheerders of de gemeente, die er "hun" deel van reserveren). Klein maar gezellig en er staat een gloednieuwe kachel te pronken. Ongelooflijk, in België was die kachel binnen de drie dagen van eigenaar gewisseld (gepikt, voor de goede verstaanders), hier stond dat gewoon ter beschikking en dat bleef ook zo. Voor een verblijf met maximum 3-4 man is dit echt een leuk hutje, en we besluiten het in gedachten te houden. De zin om er nu al te blijven is er wel, maar het loopt nog maar tegen vieren, we hebben een ander doel: de Abri de Hinter Bockloch. Volgens de beschrijving “zeer degelijk” en volgens de foto een echte blokhut.

De weg erheen daalt weer flink, de sneeuw verdwijnt als …nu ja, sneeuw voor de zon en dus vliegen de sneeuwschoenen weer uit: een ritueel dat we de komende 3 dagen nog vaak zullen herhalen. We vervoegen nu de GR531, die we ook morgen willen volgen. De zon gaat intussen stilaan onder, het vriest nu flink en het is oppassen geblazen op de spekgladde paadjes, die door kleine riviertjes in ijspistes zijn veranderd. Tegen 17u30 komen we aan het hutje (GPS km 7,6), dat zeer idyllisch ligt, naast een klaterend beekje met prachtige bevroren watervalletjes. Het droomhutje zelf blijkt minder geschikt. Het is piepklein, een zeer gammele kachel neemt 1/3 van het interieur in, en de tafel (een schijf van een beukenboom) blijkt op Smurfenmaat te zijn. Het is er vrij smerig, in een hoek ligt allerlei afval en rottend hout. Maar vooral: het is er ijskoud en gauw blijkt waarom: tussen het dak en de zijwanden van de hut, is een spleet van zowat een decimeter hoog waar de wind vrij doorheen jaagt. Dat maakt slapen op de zolder (en eigenlijk is er enkel daar plek om te slapen), alvast tot geen optie, dan kun je evengoed buiten gaan liggen. ons gezellig hutje

Intussen schemert het, een volgende hut halen we niet. Hout sprokkelen dus, en de kachel aansteken. Die zoals verwacht langs alle mogelijke roestgaten en scheuren rookt, maar zo goed als geen warmte produceert (de bedoeling van de spleet tussen dak en muren wordt ons duidelijk: een uitweg bieden aan de dichte walm die in een mum van tijd het kleine interieur vult). Ondanks de tegenvallende calorische prestaties van de kachel, wordt het best een gezellige avond.

Water om te koken (voor zover we vriesdroogvoedsel moeten “koken”) en te drinken is er à volonté, de beek naast de hut is glashelder. Intussen leren we van een bordje op de muur dat deze blokhut is opgetrokken van materiaal uit dit woud. Balken en planken zijn ter plaatse met de kettingzaag uit boomstammen gezaagd. We kijken nu met wat meer respect tegen onze verblijfplaats aan.

Bedtijd... de kachel aanhouden is zinloos, hij produceert geen warmte, maar vooral rook en CO. Hoewel, voor een CO-vergiftiging moeten we in dit tochtig tuinhuis niet echt vrezen.

Ik kies een strategische plek op de bank, Annette op de vloer. Het kwik gaat die nacht flink onder nul, en onze slaapzakken zijn daar niet echt op voorzien (wat oudere Northface Snowshoe 0°C Comfort) maar dankzij de fleece binnenzakken die we ook bij hebben, overleven we de nacht probleemloos.

 

Vrijdag 4 maart 2011

Abri de Hinter Bockloch - Refuge des Roncis (14 km)

We worden gewekt door de stralende zon die de hut langs het kleine venstertje binnen schijnt. Rond 10 u gaan we op stap voor de volgende etappe, nadat we de hut heel wat properder hebben achtergelaten dan we ze hadden gevonden, én met een houtvoorraadje voor de volgenden.

We moeten ongeveer 1 km van onze weg van gisteren terugstappen, om weer op de GR531 te geraken. Doel is de Grand Ventron (1204 m) en het paadje erheen is enig mooi. We volgen de crête, doorheen het bos, met diepe sneeuw (dus sneeuwschoenen aan), tot aan de oriëntatietafel op de top. Ondanks het schitterende weer, is het net in de richting van de Alpen wat mistig zodat we tal van beroemde Zwitserse vierduizenders (de Eiger, Matterhorn, Grand Combin enz) er moeten bijfantaseren.

De Ventron is het hoogste punt van onze tocht, dus op meer sneeuw dan hier moeten we de komende dagen niet rekenen. Het stramien is duidelijk: op de noordflanken begint de sneeuw op 950 meter, op de (zonbeschenen) zuidflanken vanaf 1050 à 1100 m.

Nabij de Grand Ventron

Vanaf hier dalen we af naar de Auberge de la Chaume, die gesloten blijkt (jammer want we hadden lopen dromen van een warme choco) maar waar we voor het eerst 4 andere wandelaars zien. Over de koppen loop je niet, in de Vogezen! Gauw een wafeltje binnensmikkelen en wat hete thee drinken (de inox thermos van 0,5 liter, die ik gisteren nog op het laatste moment uit de auto had meegegraaid, zouden we niet graag hebben moeten missen), en dan op weg naar de Refuge des Places. Lange dalende bosweg, zakken tot onder 900 m (sneeuwschoenen uit dus) om aan die refuge te komen (km 12,6). Die ziet zwart van het volk, want ze blijkt via een asfaltweg bereikbaar en is door een groot gezelschap Fransen (13 auto’s !) uitverkoren om een gezellige namiddag in door te brengen. Deze hut, ook weer een huis in feite, hebben we dus niet “geïnspecteerd”.

In de zon is het heerlijk warm, het is 13 u en dus tijd voor onze boterhammetjes. Daarna weer op weg, weer stijgen naar een topje “l’Orbi”. Dit is het meest zuidelijke punt van onze tocht, vanaf hier gaat het weer noordwaarts, vrij steil omhoog tot aan de Chalet Vaxelaire die op 1006 m ligt. Schitterende houten hut, ook in 2 aparte vertrekken verdeeld met elk hun kachel! Beide kamers zijn open: hier kun je makkelijk met 2 groepen van elk een man of 5 in terecht. De afwezigheid van een bron of riviertje is dan weer een minpunt. Het is te vroeg om te stoppen, verder dus. We gaan de boer op (eigen schuld, de wandelpaden zijn uitstekend gemarkeerd in de Vogezen maar je moet wel je ogen open houden) en eindigen door met de GPS doorheen het bos te “bunken” richting van onze volgende hut, de Chalet des Harengs op 1081 m hoogte (diepe sneeuw).

Deze chalet ligt bijzonder goed verscholen in het bos, we moeten er echt naar zoeken. Volgens de beschrijving een “boshut in slechte staat”, maar in feite was dat helemaal niet zo. Dit is de enige hut die we zagen waarin een echte slaapkamer is met stapelbedden (4 plaatsen). In feite zijn de meeste hutten helemaal niet bedoeld om te overnachten, dus wie dat wel doet moet op de vloer gaan liggen en dat is bijna steeds een betonnen of stenen vloer...die diepgevroren is uiteraard. Warm is anders. In de voorkamer van deze hut staat ook een tafel en banken, en een kacheltje. Wat ons betreft is deze hut “tamelijk goed in orde”.

We zijn toch wel moe, knie en voet doen lastig maar opnieuw datzelfde dilemma: veel te vroeg om te stoppen. De volgende hut ligt echter een flink eind verder, ten einde een lange piste die we machinaal aftjokken. Veel dalen ook, van 1030 m naar 760 m. We voelen nu duidelijk dat onze rugzakken toch wel wat aan de zware kant zijn voor dit soort tochtjes. Met alle prutsen die er op het laatste moment nog bij waren gestoken, en die vermaledijde sneeuwschoenen die we intussen al honderdduizend keer aan en uit hebben getrokken, zit ik ruim aan 21-22 kg. Dat moet een volgende keer toch wel wat lichter kunnen! We bereiken onze bestemming, Refuge des Roncis (km 20,7) rond 16u30 en dat werd tijd ook!

Deze hut, gelegen aan een beekje, blijkt echt perfect voor ons. Een leuk klein houten hutje, met de obligate stenen vloer weliswaar, maar een grote gietijzeren kachel en een enorme voorraad hout. Hier ligt zeker een kuub gekloofd hout gereed, en een stapel verzaagde paletten. Ongetwijfeld wordt deze hut wel vaker door houthakkers of boswachters gebruikt. Binnen is er plek om een man of 4 (in noodgeval 5) te slapen te leggen. Een zeer tochtvrije hut ook, dubbelwandig en gauw blijkt dat de kachel deze kleine hut in geen tijd tot een sauna kan omtoveren. Onze kaarsen worden aangestoken en met onze zere voeten vlakbij het warme vuur komen we rustig op onze positieven. Buiten valt de schemering in en begint het weer flink te vriezen. Maar dat deert ons binnen bitter weinig, integendeel; de eerste uren van onze slaap is het gewoon te warm in onze slaapzakken. Pas wanneer de kachel zachtjes tikkend uitdooft, wordt het wat aangenamer, om tegen de ochtend aan ronduit onaangenaam fris te worden... Vrouwlief klaagt over koude voeten en krijgt mijn geheim wapen: kleine zakjes met "warmhoudpoeder" om in de sokken te stoppen. It's magic!

Zaterdag 5 maart 2011

Refuge des Roncis – Abri de l'Union (14 km)

Om 7u kruip ik even uit de slaapzak om de kachel aan te steken, dan nog een uurtje pitten, zodat we warmpjes kunnen ontbijten. Rond tienen zetten we onze trektocht verder. Het weer is opnieuw fantastisch. We willen eerst naar de Chalet du Mur des Granges, maar het bos lijkt wel doorploegd te zijn door een bataljon tanks. De houtvesters zijn hier flink bezig geweest, en de zware machines waarmee ze de bomen uit het bos sleuren, hebben in alle richtingen de paadjes omgevormd tot 5 meter brede greppels van modder en (bevroren) plassen. Toch wel weer verbazend hoe economische motieven het telkens weer halen van de ecologische. In sommige stukken van de Vogezen mag je nog geen voet naast het pad zetten of een bloemetje plukken, in andere stukken (de meerderheid zo lijkt me) wordt er naar niks gekeken.

Al die wegen brengen ons flink van de wijs en we gaan weer eens de boer op. Wanneer de hoogtemeter ons vertelt dat we al op 850 m zitten, terwijl ons eerste doel op 728 m ligt, beseffen we onze fout. Dan maar weer doorheen het bos, schuin zakkend.

Zonder veel problemen hervinden we de juiste weg, en komen we aan een brede asfaltweg en een grote privé gite van de Club Vosgien Cornimont. Dit is duidelijk niet de Chalet du Mur des Granges, wel de Refuge du Mur des Granges. De coordinaten in "den Dzow" zijn boekje kloppen niet en zo evenmin het plannetje. De "echte" chalet ligt een eind verder, niet op ons traject dus deze hut ontsnapt aan onze keuring.

Ons volgend doel is de Chalet du Croix Louis. Een flink eind omhoog, want we zijn intussen gezakt tot 728 m en de Croix Louis ligt ruim 300 m hoger. Doch niet getreurd want het paadje zigzagt omhoog door een prachtig bos, en de zon lijkt weer te denken dat het al zomer is.

De Chalet du Croix Louis is een superhut. Heel groot, proper, een splinternieuwe kachel en een bronnetje. De GPS zegt "km 26" sinds ons vertrek donderdagnamiddag. Het is intussen tegen enen, we zoeken een sneeuwvrije plek achter de hut, in de zon en eten er uitgebreid. Al gauw lig ik in het gras te soezen; de verleiding om hier gewoon een lange siësta te houden is groot, maar we hebben nog een flinke weg af te leggen. Hoe flink zouden we pas later op de dag weten…

Ons doel is vanavond in een hut te slapen die niet te ver van de auto ligt, zodat we de ochtend erop aan de auto kunnen passeren, onze zware rugzakken grotendeels leegmaken, om de zondag wat relaxter te kunnen wandelen. De Abri du Rouge Mousse lijkt daarvoor geschikt. We moeten daarvoor weer een flink stuk omlaag, aan een mooi ovaal meer: Lac des Corbeaux. Dat blijkt zowaar een hachelijke, om niet te zeggen levensgevaarlijke onderneming te zijn. De helling is zeer steil, 250 m lager ligt het witbevroren meer. Het is een noordflank, dus besneeuwd en het paadje dat omlaag zigzagt is totaal verijsd. Met een zware rugzak en zonder crampons (die hadden we nu eens niet bij, zie!) is dit levengevaarlijk, een slippertje kan resulteren in een dolle bobsleerit van een paar honderd meter omlaag, met her en der obstakels: rotsblokken of bomen. Heel voorzichtig proberen we zoveel mogelijk naast het ijspad te blijven, en trapjes te stampen in de harde sneeuw. Gelukkig hebben we wandelstokken om ons evenwicht te helpen bewaren, anders zou dit onverantwoord zijn geweest. Finaal bereiken we zonder kleerscheuren de Roche du Lac, die het meer domineert. Vanaf daar volgt nog een traverse langs een besneeuwde richel, gelukkig van een staalkabel voorzien. 

Gevaarlijke afdaling op verijsd paadje

Oef, we leven nog. Het paadje gaat over in een brede piste, een kilometer verder bereiken we de Abri Rouge Mousse. Grote hut, met een zolder om op te slapen maar één van de luiken ontbreekt, dus erg fijn zal dat dan toch niet zijn. Voor ons twee is deze hut te groot, die krijgen we amper warm gestookt.

De volgende hut, 2,5 km verder, is de Abri de l'Union, die we donderdag als eerste tegenkwamen maar ons niet zo geschikt leek. We herinneren ons de gezellige hut "Blancs Murgers" die nog een km of 2 verder ligt dan de Union, en besluiten naar daar te gaan. Da's wel nog 4,5 km stappen dus, en we wilden het vandaag wat kalmer doen dan gisteren: daar zal dus niet veel van in huis komen.

De Route Forestière de la Vierge is nogal eentonig en stijgt continu. We bereiken de Abri de l'Union, laten hem links liggen, gespen de sneeuwschoenen weer aan en stappen dapper door naar "onze" Blanc Murgers. Wanneer we de hut in het vizier krijgen, murmel ik nog: "oef… ik zou echt niet verder meer geraken vandaag!", maar wanneer we de deur openduwen zit daar een trio jeugdige Duitse scouts. Die Germanen blijken zelf maar net gearriveerd te zijn, ze hebben de kachel zelfs nog niet aangestoken. Waren we maar een kwartier eerder geweest…! Vrij straf, drie dagen zwerven we hier rond en we hebben zegge en schrijven een handvol wandelaars gekruist.

Enfin, niks aan te doen, dit hutje is echt te klein voor 5 personen. Terug maar naar de Abri de l'Union, waar we een half uur geleden zijn gepasseerd! We komen er om 17u30 aan, volgens de GPS op km 34,7 wat betekent dat we vandaag ook weer 14 km hebben gedaan.

De ongezellige en vochtige hut is voorzien van een grote en slecht ontworpen open haard. Gelukkig ligt in het bos hout zat en we slepen een grote voorraad aan. Toch duurt het uren eer het gigantische vuur dat we in de haard stoken, enige warmte begint te geven. Maar eens er een grote stapel roodgloeiende as ligt, is het voor de haard niet meer uit te houden. Doch twee meter verder dampt onze adem, en drie meter verder geeft het ijs op onze sneeuwschoenen geen krimp: dooien doet het daar alvast niet. Tot overmaat van ramp steekt er buiten wind op en slaat de rook weer in de schouw. De deur van ons rokershol moet open en zo spelen we ons beetje warmte weer kwijt. Intussen loop ik wel 10 keer naar buiten om ons enige kookpotje vol sneeuw te scheppen, want water is hier nergens te vinden. De Peak One heeft er geen enkele moeite mee. We smullen onze droogvoeding binnen en eindigen met veel warme thee, want we zijn toch wel wat uitgedroogd geraakt.

We schuiven de twee tafels tegen elkaar en slapen voor de haard, met tranende ogen van de rook. Het venster blijft op een kier om genoeg zuurstof voor de haard te voorzien.

De haard gloeit urenlang na en de nacht is dan ook te warm in onze slaapzakken.

Voetjes opwarmen

 

Zondag 6 maart 2011

Abri de l'Union - Col de Bramont – Lac de Blanchemer – Col de Bramont (12,5 km)

Annette vindt 's morgens de moed om de haard weer aan te steken. Na het ontbijt hoeven we maar twee kilometer te stappen naar de parking aan de Col de Bramont. De zon is weer van de partij maar het is flink koud. Gelukkig, de auto staat er nog, de ruiten zijn nog heel (altijd toch een risico, je auto zo drie dagen achterlaten op zo'n godvergeten plek). We maken de rugzakken grotendeels leeg. Slaapgerief en die massa kleding zullen we niet meer nodig hebben. Weer twijfel over de sneeuwschoenen, maar de wetenschap dat we vandaag toch weer boven de 1000 m zullen zitten, aan de schaduwzijde, doet ons besluiten ze toch maar mee te nemen. Prachtig bevroren Lac de Blanchemer

Heel wat lichter beginnen we aan onze laatste tocht, een grote lus rondom het Lac de Blanchemer. We volgen weer de GR531, noordwaarts ditmaal, naar de Col de l’Etang waar ook een abri is, echter een halfopen afdak. Niet zo geschikt voor winterse overnachtingen dus. We klimmen flink omhoog, via de Chemin du Grand Bougre, weer boven de 1100 m en aan de noordzijde. Dus weer sneeuw à volonté. Dan afdalen naar het enig mooie Lac Blanchemer, dat zijn naam niet gestolen heeft: witbevroren. Prachtig gewoon. Waarom zijn we nooit eerder in de Vogezen gaan stappen? Na 50 keer in de (ondergrondse) Doubs  of Jura te hebben gezeten en dus evenveel keren door die Vogezen te zijn gereden, is dit in feite onvoorstelbaar.

Naast het meer ligt de Abri de Blanchemer, best bruikbare hut waarvan de helft afgesloten is. Geen kachel maar een haard. Middageten, en dan verder het meer rond en langs de Chemin des Italiens tot aan de Chalet Machey. Ook weer zo een hut waarvan één helft op slot is. Wat gammele kachel en niet zo groot. Nog even op de tanden bijten voor de laatste etappe, weer terug naar de auto aan de Col du Bramont. We arriveren daar om kwart over vier. De GPS vertelt ons dat we in totaal 47,2 km gestapt hebben, in iets minder dan 21 uur (bij elke halte werd de GPS plichtsbewust stopgezet). We zijn daar best tevreden mee, het is veel meer dan we hadden denken te doen, op 3 en 1/4 dag, en met onze krottige voeten en knieën. De goede sneeuwcondities, en het ontbreken ervan op lagere hoogte, zijn daar natuurlijk niet vreemd aan.

De laatste avond brengen we weer door in de Abri des Roncis, want ik heb gezien dat het mogelijk is om er met de auto vlakbij te geraken (ook weer omdat er geen sneeuw ligt). Ditmaal hebben we niks te kort qua eten en drinken. We stoken de kachel nog eens gloeiend heet en maken er nog een gezellige avond van. Het was een zeer geslaagde eerste kennismaking met de Vogezen. Toegegeven, de weersomstandigheden waren ideaal, een volgende keer zullen we misschien wat minder geluk hebben.

 

Foto's

 

Hier een link naar een Picasa fotoalbum met foto's van onze vierdaagse tocht.

Ons parcours

Hier een link naar een Google Earth KML bestand met daarop (ruwweg) ons parcours en de bezochte hutten.

Kaarten

3619 OT Bussang/La Bresse en 3618 OT Le Honneck/Gérardmer

De hutten

Enkele correcties/aanvullingen op het document van Joery. Ik probeer telkens aan te geven of er water in de nabijheid is (niet onbelangrijk) en met hoeveel man je er kan slapen.

  • Blanchemer (Abri Forestier du Lac de) : er is geen kachel maar een open haard. De helft van de hut is afgesloten. Water genoeg (een stuwmeer!). 4 personen.
  • Blanc Murgers (Refuge des): gloednieuwe kachel. De helft van de hut is afgesloten. Geen water. 3-4 personen.
  • Col de l’Etang (Abri du): quasi geen slaapplaats want gefixeerde tafel en bank.
  • Croix Louis (Chalet de). Nieuwe kachel. Kleine bron (maar onzeker of deze in de zomer loopt). 10 man.
  • Harengs (Chalet des). Houten boshut in redelijke staat. Aparte slaapkamer met twee stapelbedden (dus 4 slaapplaatsen + nog 2 op de grond). Geen water.
  • Hinter Bockloch (Refuge du): “zeer degelijk” is deze hut allerminst. Heel klein en tochtig, de 4 slaapplaatsen op zolder zijn ongeschikt voor een winterbivak. Kachel is vrijwel onbruikbaar. Water genoeg want aan riviertje. Voor 2-3 man.
  • Machey (Chalet de): De helft van de hut is afgesloten. 4 à 6 personen. Geen water.
  • Mur des Granges (Chalet du). Op de kaart in Joery’s document staat de verkeerde refuge aangeduid (die van de Club Vosgien). De coordinaten kloppen evenmin, de juiste hut zou bijna 800 m meer westelijk liggen ( UTM32/WGS84 X=342,191 km Y=5315,568 km) doch dit hebben we niet op het terrein kunnen nagaan.
  • Places (Refuge des): naast asfaltweg en grote parking, dus meer kans op andere groepen. Niet binnen geweest. Riviertje vlakbij. De coordinaten kloppen niet, de refuge ligt ruim 300 meter meer westelijk (en wel op UTM32/WGS84 X=343,647 km Y=5312,618 km)
  • Roncis (Refuge des): 4 personen, water genoeg want aan riviertje. Vrij comfortabel.
  • Rouge Mousse (Chalet de): minstens 6-8 slaapplaatsen op zolder en evenveel beneden. Maar de zolder is zeer koud en er ontbreekt een vensterluik (open gat). Nieuwe kachel. Geen water.
  • Union (Refuge de l’): geen kachel maar een open haard. Zeer spartaans uitgerust. 6 à 8 personen. Geen water.
  • Vaxelaire (Chalet): 8 à 10 personen. Twee vertrekken, elk met een kachel. Geen water.

dinsdag 27 april 2010

Bedrog en leugens

Enkele weken geleden reeds werden we weer eens met onze voetjes op de grond gezet: elektronisch bankieren is niet veilig. Niet dat we dat al niet wisten: dat had ik lang geleden al tot mijn grote schade mogen ondervinden (zie verder), maar toch: een mens vergeet het op den duur. Deze keer werden we het slachtoffer van “skimming”. Net voor we een weekje op reis gingen, met Pasen, had mijn vrouw nog geld afgehaald met haar bankkaart, aan een automaat in Mortsel (bij de markt). Toen we op onze vakantie weer naar huis reden, probeerden we onderweg met haar kaart te tanken. De kaart werd geweigerd. Een vroegere slechte ervaring indachtig, was het eerste dat we thuis deden, de bankrekening nazien. Ze was niet leeg (oef) maar er stonden wel 4 verdachte transacties op: geldafhaling in Canada, telkens 400 Dollar rond. Alles bij elkaar een mooie som dus, boven de 1000 Euro. Nu, we hadden de bankkaart nog, dus er was maar één mogelijkheid: de kaart was “geskimd”.
Bij skimming brengen de bandieten (geen kleine garnalen hoor, dit is het werk van de georganiseerde misdaad) een aantal veranderingen aan de bankautomaat aan, waardoor ze de magneetstrip van je bankkaart kunnen lezen én de code die je intikt kunnen filmen met een miniatuurcamera. Deze gegevens worden onmiddellijk via een gsm doorgeseind. Die gsm zit eveneens verborgen. Ziehier voor wat foto’s.
Vervolgens maken ze een bankkaart na, met jouw magnetische strip en doordat ze je code hebben, kunnen ze je rekening leeghalen. Dat doen ze beetje bij beetje, om geen argwaan te wekken. Met wat geluk duurt het dagenlang voor de eigenaar van de kaart het bedrog opmerkt. Met nog meer geluk is het een rekening waar ze flink mee onder nul kunnen gaan! Da’s voor de eigenaar van de rekening dubbel zo vervelend, want die wordt bestolen van geld dat hij zelfs niet heeft!
Nu, het blijft raadselachtig hoe ze onze code hebben kunnen achterhalen, want mijn vrouw heeft de gewoonte om met haar linkerhand het klavier af te schermen wanneer ze de code intikt. Gelukkig hadden we de kaart nog, en konden we bewijzen dat we ten tijde van die afhalingen in Canada, zelf in Frankrijk zaten. De bank (Argenta) zegt dan ook dat we ons geen zorgen moeten maken; die centen krijgen we terug. Ik hoop het, want ooit had ik een andere ervaring die me nu (zowat 15 jaar later) nog steeds het zuur doet krijgen.
Dat was toen eenzelfde scenario: ik ga tanken, en vind mijn bankkaart niet meer. Wanneer had ik die voor het laatst gebruikt? Oh ja, vorige week, om een paar loopschoenen te kopen op de Meir. Thuisgekomen check ik de rekening: “saldo NUL”. Hoe kan dat, er stond 40.000 BF op (het was de goede oude tijd van de Frankskes)? Op vier dagen tijd bleek er elke dag 10.000 BF te zijn afgehaald (dat was destijds het maximum dat per dag kon worden afgehaald). Ik bel onmiddellijk naar de bank om de kaart te laten blokkeren. Echter, het was vakantie, op de bank zat een jobstudente, die de opdracht niet uitvoerde. Resultaat: drie dagen later stond de rekening op –30.000 BF want de dief had nogmaals 3 x 10.000 BF afgehaald. Die zal zijn geluk niet op hebben gekund.

Je moet weten: dit was de begintijd van bankkaarten, toen de helft van de winkeliers nog zelf je kaart door een kastje moest halen dat ergens achter de toog stond opgesteld. Op de toog stond enkel een klaviertje (in Frankrijk zie je nu nog dergelijke toestanden!). Voor een gewiekste dief was het een kleintje om in een drukke winkel rond te hangen, een code af te kijken over je schouder, en daarna de kaart die door de winkelier op de toog werd teruggelegd, te jatten. Even de klant afleiden en hopsa.
De bank beweerde dat ik mijn code bij de kaart had bewaard (pertinent onwaar), de politie deed nog de moeite niet om de winkelier zelf eens te ondervragen, en een advocaat zegde mij: och voor zo’n luttel bedrag (70.000 BF!!) moet je niet aan een klacht denken enz. Je zou van minder ontmoedigd geraken. Finaal heb ik 30.000 BF teruggekregen, doordat ik wel degelijk kon bewijzen dat ik had gebeld om de kaart te blokkeren en de bank door nalatigheid dit vergeten was. Maar zoiets vergeet je niet gauw hoor, want dat waren veel en zuurverdiende centjes. Uiteraard heb ik die bank (Gemeentekrediet, tegenwoordig Dexia) een stamp onder hun gat gegeven en ben naar een bank gegaan waar er alvast een voordeel is: je kan niet onder nul gaan.

Voila, de geschiedenis herhaalt zich dus. We zijn allemaal echt te nonchalant in die zaken, en bovendien is het hele bankkaarten gedoe zo onveilig als de pest: zolang die magnetische strip op die kaart blijft zitten, is het een kleintje om zo’n kaart te kopiëren. Er staat al wel jaren een chip op (die bijna niet te kraken valt) maar de meerderheid aan automaten leest nog steeds enkel maar die magneetstrip (ga maar eens ergens tanken).
Kortom beste lezers: pas goed op. Het skimmen gebeurt vooral aan tankautomaten; de dief heeft daar meer tijd om de automaat aan te passen, het is er vaak afgelegen en donker. Maar in dit geval was het aan een gewone geldautomaat. Dek altijd met je hand je code af!! En goed afdekken, want de minicamera zit vaak aan de zijkant van de automaat.
Hier een filmpje met wat uitleg en demonstraties
http://www.youtube.com/watch?v=UA_o4E7x-bI
Verdorie, mijn middagpauze zit er weeral op; en ik had in dit verhaaltje over bedrog en leugens, nog even willen vertellen hoe ik vorig jaar op het Internet ben opgelicht. En over bedrog en leugens gesproken: wat te denken van de onthullingen van “gij zult niet liegen” bisschop van Brugge? Stof voor een andere keer.

dinsdag 30 maart 2010

Kermit de kikker

‘t Is weer lente en daar ben ik niet treurig om. En nu ik (veel) meer vrije tijd heb, kan ik me eens bezighouden met onbenulligheden zoals daar zijn: naast de tuinvijver gaan zitten wachten met het fototoestel in aanslag.

We hebben een kleine tuinvijver en die krioelt van het leven. Het is nu nog wat te vroeg voor de plantjes, maar binnen enkele maanden sieren purperen en gele lissen, waterlelies, waterranonkels en ander groen ons vijvertje. Nu hebben de bruine kikkers vrij spel. Een hele winter waren die verdwenen, Joost mag weten waar ze zich verstoppen. Naar het schijnt, ingegraven in de modder van de bodem van de vijver. Vorige winter, toen een strenge vorstperiode het vijvertje bijna compleet had doen dichtvriezen, dobberden er enkele weken na het dooien wel 20 dode, opgezwollen kikkers rond. Smakelijk! Slechts enkele exemplaren hadden het overleefd, maar ze zorgden in de zomer van 2009 wel voor een enorm nageslacht. Veel teveel kikkers voor zo’n klein vijvertje, maar we dachten “ach de natuur regelt dat wel”. Maar voorlopig hebben de reigers ons vijvertje nog niet ontdekt.

Dit jaar – ondanks de strenge winter – bleek onze voltallige kikkerpopulatie het te hebben overleefd. Van zodra het lentezonnetje er vorige week doorkwam, schoten ze wakker, en wat doet een kikkermannetje dan, dat een lange koude winter op droog zaad heeft gezeten? Juist ja: al kwakend proberen een knap kikkertje te versieren en dat zo gauw mogelijk te beklimmen.

Van ver zie je ze amper

Hier heb ik de snoodaards even omcirkeldDagenlang reeds zijn die kikkers daar mee bezig. Je moet de vijver voorzichtig naderen, en dan zie je tientallen oogjes boven water uitsteken en hoor je hun gekwaak (gelukkig kwaken ze discreet en beschaafd, tot nu toe nog geen problemen gehad met de buren). Van zodra je te dicht komt,  begint het wateroppervlak te bruisen wanneer wel 40 dikke kikkers haastig een veilig onderkomen zoeken. Geduld hebben, is dan de boodschap. Een kwartiertje stilzitten en dan komen de eerste waaghalzen alweer boven. Een kikker is koudbloedig en doet niets liever dan zonnebaden. Soms zitten ze wel met zijn tienen op een plankje dat daarvoor speciaal in de vijver drijft.

Parend koppeltjeDe parende kikkers vormen koppels (mannetje boven, zo hoort dat) die urenlang verstrengeld blijven. Het mannetje omklemt met zijn poten het vrouwtje en drukt de eieren als het ware eruit. Een vrouwtje legt zo wel duizenden eieren, kleine bolletjes die gauw water opslorpen en een soort gelbolletjes vormen: het welbekende kikkerdril. Zo een kluwen kikkerdril weegt al gauw een halve kilogram, voor een volume van een halve liter… per kikker! Binnen de paar dagen zat er zoveel kikkerdril in de vijver dat de kikkers nog amper konden rondzwemmen. Ik had al visioenen van tienduizenden kleine schattige kikkertjes die binnen een jaar ook allemaal een hand groot zouden zijn. En wetende dat kikkers wel 10 tot 15 jaar oud kunnen worden, heb ik het grootste deel kikkerdril er maar uitgehaald en in een nabijgelegen gracht in de buurt gaan zetten.

Kikker temidden van kikkerdrilNaar het schijnt, weten kikkers in welke plas ze geboren zijn, en willen ze daar later steeds naar terug komen. Ik ben eens benieuwd, afwachten dus of er later een kikkertrek op gang zal komen, van de plas in het park naar onze tuin!

Niet alleen de kikkers zijn weer wakker. Ook de geelgerande watertor is er weer. Die is vorig jaar uit het niets verschenen en gedijt goed. Het is een prachtig insect, één van de grootste kevers van Europa, zelfs (kan tot 3,5 cm lang worden). En het is een roofdier, dat zich vergrijpt aan kleine visjes en jawel… kikkervisjes. Binnen enkele weken zal die kever zich een indigestie kunnen eten want dan zwemmen er wel duizend dikkopjes rond. Verbazend weetje: zelfs dit insect kan wel 5 jaar oud worden!

Geelgerande watertor

Kortom, het is een en al genieten in ons tuintje. De krokussen, paasbloemen, de Magnolia van de buren: alles komt tot leven. Zo ook de ligusterhaag, en de gazon, bedenk ik me nu plots… dat wordt weer werken.

Oh ja, mocht er iemand  wat kikkers willen voor zijn tuinvijver, geef dan maar een seintje.

dinsdag 16 maart 2010

Realiteit of fictie

Kritisch ingesteld, dat ben ik. Duw mij een krantenartikel onder mijn neus, vertel mij een straf verhaal of citeer wat cijfers, en de argwaan slaat al toe. Sommige mensen kan je alles wijsmaken (en ik ken zo enkele zeer dankbare slachtoffers), mij (meestal) niet. Zo’n kritisch ingestelde geest is geen zegen hoor, om maar een voorbeeld te geven: het is een pretbederver bij het bekijken van films. Hoe vaak heb ik mijn aan het scherm gekluisterde huisgenoten al niet de gordijnen ingejaagd met vervelende opmerkingen, waarop dan steevast iets werd geroepen in de trant van “Pa het is maar een film hé! En laat ons nu verder kijken”.

Maar na het zien van “Avatar” gisteren, weet ik het ook niet meer. De grens tussen fictie en realiteit is er niet meer. Ze was al flinterdun geworden de laatste jaren, maar nu is ze echt wel definitief weg.

De Metropolis is niet echt mijn lievelingsbioskoop maar om Avatar in 3D te zien, moesten we wel naar daar. Peperdure tickets (11 Euro, nota bene!) en godbetert genummerde plaatsen zo ergens opzij in de zaal. Daaraan doen we niet mee (onder het motto: wie eerst komt, mag op zijn minst zelf een goede plaats uitkiezen), dus we kozen prompt de plaats die ons het beste leek: achteraan in het midden. Altijd leuk, zo’n systemen saboteren. Want daarna klopt er dus niks meer van hun door de computer berekende zaalindeling en lopen er overal mensen rond met een wanhopige blik van “er zit iemand op mijn stoel, wat nu?”

De 3D-brillen waren vuiler dan de ruiten van mijn auto en dat wil al iets zeggen. De krengen wogen bovendien als lood op je neus, en bestonden in één niet-aanpasbare maat. Kleine kop of dikke kop, brildrager of niet: iedereen moest en zou diezelfde onhandige, in 1832 ontworpen bril opzetten. De bril van Roy Orbison was er niks tegen.

Maar eens Avatar begon, was de ergernis gauw vergeten. Ik ga hier niet de film vertellen, zelfs niet echt bespreken. Het is het klassieke verhaal, reeds verteld in andere films (Dances with Wolves, bv.) over de hebzucht van de mens, die zonder een greintje mededogen mensen uit hun dorpen verjaagt omdat ze bovenop een aardolieveld wonen, tropische regenwouden platbrandt omdat er met de houthandel een pak geld te verdienen is, de zwarten tot slaven maakt en hun minerale rijkdommen plundert, de Indianen in Noord-Amerika uitmoordt en in reservaten bijeendrijft om daarna zonder enige scrupules hun land in te pikken enzovoort enzovoort. Cortes die het Azteekse rijk veroverde, Leopold in Congo, Shell Oil in Nigeria, … zo kunnen we nog wel een uur of 5 doorgaan.

Avatar speelt op een planeet Pandora, waar een volk (de Na’vi) in harmonie leeft met een regenwoud. De Navi zijn om en bij de 3 meter groot, slank en atletisch, hebben menselijke trekken en oh ja: ze zijn blauw en hebben een staart. Een soort reuzensmurfen dus. De bad guys zijn wij (de blanken). De Na’vi wonen met hun gat op een onschatbaar kostbaar erts en moeten dus opkrassen. Met gigantische bulldozers en veel vuur en bommen worden de Na’vi en hun prachtige woud naar de vernieling geholpen. Nog wat romance erbij (ligt voor de hand, met die verrukkelijke Neytiri), een ijzervretende kolonel (Quaritch), veel gevechtstuigen en ziehier alle ingrediënten voor een actiefilm. Wat volgt is zeer voorspelbaar: de Na’vi komen in opstand tegen hun onderdrukker en het goede zegeviert van het kwade (in de echte wereld eindigt het vaak net omgekeerd, maar soit).  Over het verhaal en het scenario zijn we dus al rond, daarvoor moet je Avatar niet gaan bekijken, hoewel het gezegd moet worden dat er goed en overtuigend wordt geacteerd.

Wat is er dan wel zo speciaal aan Avatar? Wel, het is gewoon een prachtige film. Regisseur James Cameron heeft een digitale wereld gecreëerd die het paradijs op aarde is. Of op Pandora, beter. Een sprookjesachtig woud, met een ongelooflijk weelderige vegetatie, gigantische bomen, bloemen die je nooit eerder zag, reusachtige zwammen en varens. ‘s Nacht licht het bos op in prachtige, fluorescerende kleuren; lichtgevende draden hangen uit de bomen omlaag. Voor de dieren heeft Cameron alle remmen losgegooid. Jurrassic Park is er niks tegen, met het verschil dat de beestjes hier compleet gefantaseerd zijn en op niets lijken wat er ooit op onze planeet heeft rondgekropen of gefladderd. Er zijn huiveringwekkende creepy monsters bij, felgekleurde vliegende draken, de meest bizarre insecten. Cameron moet zich God de Vader hebben gewaand, elk creatuur, hoe vreemd ook, dat in zijn fantasie werd bedacht, heeft hij hier tot leven kunnen wekken. En je moet als toeschouwer al een hart van steen hebben, om niet binnen het uur totaal ondergedompeld te zijn in de magische sfeer van dit prachtige woud en respect op te brengen voor voor de manier waarop de Na’vi er mee omspringen.

avatar1 Of het nog niet moeilijk genoeg was om, uitsluitend met gebruik van computers, dit fantasieoerwoud op een verbluffend realistische manier tot leven te wekken, hebben we op Pandora nog dingetjes als vliegende eilanden: zwevende rotsklompen, met tropische begroeiing, watervallen, grotten. Of gigantische ruimteschepen, of een hi-tech militair arsenaal waarover elke kolonel enkel in zijn natte dromen kan van kwijlen. De acties zijn adembenemend, of we nu meevliegen op de rug van vliegende draken die als jachtvliegtuigen door het zwerk klieven, uit een kilometer hoge boom omlaag vallen van reusachtig blad tot reusachtig blad, op de vlucht zijn voor een 6 meter grote kruising van een panter en een hyena (een Thanator heet zo'n poes), of aan lianen slingeren 500 m boven de grond. Avatar is één drie uur lange wervelwind, waar je als kijker totaal in opgaat. En vergeet het 3D-aspect vooral niet. Dit is de eerste 3D-film die ik zie waarin het net goed zit. Niet teveel, niet te weinig.

CGI, Computer Generated Imagery, is op een niveau gekomen waarin het vrijwel onmogelijk is geworden om het verschil tussen fictie en realiteit nog te zien. Had je tot voor enkele jaren nog wel eens het gevoel van naar een groot speelgoeddecor te zitten kijken (bij “In de Ban van de Ring” bv.), dan heeft Avatar nu wel aangetoond dat we dat stadium ook weer voorbij zijn. Maar opgelet: Avatar is zo grensverleggend, dat het wel even zal duren eer er iets beters gedaan wordt. Maar die tijd komt eraan. Binnen 20 jaar gaan we meewarig lachen met Avatar, dat staat vast. Nu kijken we nog naar een film, dan zullen we ons er midden in wanen. Want vooral aan dat 3D-gebeuren is nog veel sleutelwerk.

Cameron heeft zijn doel zeker bereikt. Enerzijds een film maken, die elk superlatief doorstaat en de concurrentie voor minstens 5 jaar het nakijken geeft. Anderzijds een film maken, die een boodschap brengt. Een beetje melige boodschap, weliswaar, maar je moet als toeschouwer al barbaar zijn, om niet de link te maken met de manier waarop de mensheid nu haar planeet naar de kloten aan het helpen is. Want, hoe fantastisch de flora en fauna ook mag zijn die Cameron in Avatar tot leven heeft gewekt, op onze eigenste aarde is het leven even gevarieerd en uitbundig. Elke alien die onze aarde aandoet moet zich vast en zeker evengoed de ogen uitkijken naar al wat hier groeit of leeft. Maar hij zal zich wel moeten haasten, want binnen honderd jaar hebben we daar de helft van geliquideerd (doch de kans is reëel dat we met behulp van CGI al die uitgestorven dieren wel weer tot leven wekken. Een documentaire over de Siberische tijger… en geen mens die nog kan zien dat het beestje in het computerlab tot stand is gekomen).

Avatar is één van de (visueel) mooiste films die ik ooit zag. Ik zou hem zo een tweede keer kunnen gaan zien. En het is een film die maar op één manier tot zijn recht komt: op een groot cinemascherm, in 3D. Slecht nieuws voor de DVD-liefhebbertjes die het binnen enkele maanden eens op hun flatscreentje willen bekijken dus. Trouwens, op een klein scherm vallen al die trucages toch nog wel wat op.

Hieronder wat links naar filmtrailers op Youtube; zeker eens kijken!

De lange Avatar trailer

Neytiri trailer

Colonel Quaritch trailer

 

woensdag 17 februari 2010

De Raymond

Vorige week wekte de nieuwslezer mij met het droeve nieuws dat Bob Davidse was gestorven op de gezegende leeftijd van 89 jaar. Nonkel Bob dood! Voor mensen van mijn generatie is dat voorwaar iets om stil bij te staan. Wij zijn groot geworden met Nonkel Bob en Tante Terry. Verplichte kost was dat, op onze allereerste TV (zwartwit uiteraard). In de kranten vinden we dan ook een gepast eerbetoon aan de man die duizenden kinderen leerde zingen, en zelfs gitaar spelen. Zeg eens eerlijk: wie heeft er nog nooit van “Vrolijke, vrolijke vrienden” gezongen? Zelfs de kinderen van nu zingen dat nog.

Diezelfde kranten en media besteedden vorige week ook bijzonder veel aandacht aan een nochtans banaal feit: de zestigste verjaardag van Raymond van het Groenewoud. Ik kan me niet herinneren dat er al ooit een andere muzikant – zelfs niet de allergrootsten der aarde – zoveel aandacht kreeg omwille van zijn verjaardag. Het moet zijn dat ik niet de enige ben die van oordeel is dat onze Raymond toch wel een heel speciaal iemand is. Want inderdaad, ik ben al mijn leven lang een fan van "de Raymond", Vlaanderens bekendste liedjesschrijver.

raymond Mijn  interesse in ‘s mans muziek moet zo ergens in 1980 zijn begonnen. Ik was toen twintig, en schuimde wat lokale popfestivalletjes af waarop RVHG speelde. Meestal als “Top-of-the bill” want Raymond was toen al een jaar of 7 bezig en had al een flink repertoire in zijn mars. Mijn muzikale voorkeur ging toen uit naar het zwaardere werk, en op “Meisjes” of “Maria, Maria” moeten we heel wat tenen van te dichtbij staande Chiromeisjes hebben vertrappeld, want we “pogo-den” als gekken over de graswei heen en weer. Het was ook de tijd van de Bel-Pop, met bands als The Kids, Luna Twist, Scooter, The Machines, Twee Belgen, Arbeid Adelt, Lavvi Ebel, Heartbreak, Der Polizei en weet ik nog wie allemaal. Allemaal groepen die kwamen en gingen, maar één man overleefde hen allemaal moeiteloos: de Raymond. Vandaag, 30 jaar later, is hij er nog steeds en kan hij terugblikken op het beste muzikale oeuvre dat een Belg ooit bij elkaar componeerde. En jawel hoor, ik weet dat er een Brel, een Tura of een … (vul zelf in) bestaan, maar Raymond doet ze moeiteloos de broek af.

Raymond zingt in het Nederlands. Dat op zich is al een uitzonderlijk en bijzonder moedig iets, zeker in de jaren ‘70 of 80. Nu zijn we dat meer gewend (denk aan Clouseau of Noordkaap) maar toen wat het echt “not done”. In het Nederlands zingen, dat was iets voor schlager- of charmezangers. De kliek van Paul Severs, Willy Sommers, Will Tura, de Zangeres zonder naam, weet je wel. Ouwe mensen muziek. Het klonk ook niet, in het Nederlands kon je gewoon niet zingen, zo simpel was dat.

Wel, Raymond kon het wel. En het klonk gewoon goed. Waarom? Twee redenen. Allereerst heeft Raymond een ongelooflijk gevoel voor rijm en metrum en dat is ontzettend belangrijk in een weinig metrische taal als het Nederlands. Het aantal lettergrepen in een zin moet gewoon kloppen, anders klinkt het niet.  De onvolprezen kampioen in het verkrachten van deze regel is dhr W.Tura. In zowat elk van zijn liedjes staan er verzen met teveel of te weinig lettergrepen of een metrum van heb-ik-jou-daar. Een willekeurig voorbeeld (de meer dan banale inhoud is geheel voor rekening van de auteur):

Ik ben zo eenzaam zonder jou
Ook als het dansorkest gaat spelen
Want dansen gaat mij gauw vervelen
Als ik jou niet in m'n armen hou

Die laatste zin! Aargh. Klinkt echt niet. En beluister gelijk welk Tura liedje: het is gewoon overal zo. Raymond laat zich daar niet aan vangen.

De tweede reden is humor. Tuurlijk, humor is geen must: veel humor valt er niet in Pink Floyd of Led Zeppelin te bespeuren. Maar sommige muziek kan niet zonder humor gebracht worden, en dat geldt des te meer voor muziek die over alledaagse zaken gaat. Zaken als relaties, sex, religie, gevoelens. Breng die te serieus en het wordt al gauw pijnlijk, ongeloofwaardig, pompeus of gewoon onnozel. Breng het met een snuifje ironie of zelfspot, en het wordt iets heel anders.Frank Zappa wist dat, Randy Newman ook, en de Raymond nog veel beter. Wanneer ik naar Zappa luister moeten ze mij niet komen lastig vallen, want ik wil de tekst horen. Idem met Raymond. De overgrote meerderheid van zijn liedjes maakt me blij - ook al zijn ze vaak zeer melancholisch of intriest van aard.

Je mag de meest serieuse hark zijn die er rondloopt, maar wanneer Raymond zingt over zijn schoolgaande jeugd, dan begin je toch spontaan te glimlachen? Het is er zo pal op.

daar gaat de bel van ringeling
'k Wou dat ik de lucht inging
rijen rijen twee aan twee
best van al gedwee
binnenstromen in de muf
muffe klas alwaar ik suf
zure zweters, dat doet deugd
't lot van onze jeugd

Overigens: zowat al zijn liedjesteksten vind je hier: http://www.muzikum.eu/nl/122-166/raymond_van_het_groenewoud/songteksten.html en het zijn er inmiddels 219, zo goed als allemaal zelf gecomponeerd, geschreven en gezongen. Wie doet hem dat na?

Kijk eens naar mij, ik hou van veel muziekjes. 'k Speel alles graag, en wie doet mij dat na?  zong Raymond in "Chachacha", en inderdaad, zijn grootste verdienste is ongetwijfeld dat hij een muzikale duizendpoot is die niet alleen diverse instrumenten bespeelt, maar ook zowat elk denkbaar muziekgenre baas kan. Rock, gospel, honky-tonk, reggae, dub, chachacha, bossa nova, country: je kan het niet bedenken of hij heeft er wel een paar liedjes in geschreven. "Twee meisjes" werd verkozen tot het beste Nederlandstalig nummer ooit, en daarmee kan ik het alleen maar volmondig eens zijn. De zoete, ingetogen intro op piano en bas, de zo eenvoudige maar oh zo tot de verbeelding sprekende tekst: Twee meisjes op het strand, ze lezen modebladen, twee meisjes op het strand, ze dromen van een prins. Het rijmt zelfs niet, en toch zie je die meisjes je gewoon voor je, liggen lanterfanten in de zon, op het strand van Blankenberge. Het nummer dat opbouwt, de drums die invallen, en dan die lange, klaaglijke gitaarsolo: ik ken geen enkel ander Belgisch nummer met zo'n mooie gitaar erop. Luister mee en geniet.

Ach, Twee Meisjes is maar één hoogtepunt uit 's mans rijke oeuvre. Bierfeesten, Hoppah, Brussels by Night, Joske, Bleka Lena, Liefde voor Muziek... de lijst is onnoemelijk lang. Ter gelegenheid van zijn 60ste verjaardag, is er nu een nieuwe verzamelaar uit met daarop – u raadt het al – 60 nummers. Ik heb mijn gezinsleden al tactisch ingefluisterd dat ze voor mijn verjaardag, volgende week, mij hiermee een groot plezier kunnen doen. Hoeveel artiesten – en opnieuw mag de Internationale scene gerust meedingen – kunnen er al een Best-of uitbrengen met 60 goede nummers; zonder hun B-kantjes en ander vulsel te moeten recycleren? Eén hitje of meezingertje schrijven, dat kan bijna iedereen. Er vijftig of honderd schrijven, dat is slechts weinigen gegeven. Mocht RVHG in Amerika of Engeland geboren zijn, dan deelde hij nu de selecte schare van muzikale genieën zoals Bob Dylan of Paul Mc Cartney. Helaas kwam hij in een postzegelgroot landje ter wereld, en verkoos hij dan nog te zingen in een taal die 75 km verder al niet meer begrepen wordt.

Vlaming zijn, of zelfs Belg zijn, en geen muziek van Raymond in huis hebben, dat kan gewoon niet. 16,99 Euro voor zijn 60 beste nummers: het is voorwaar geen geld. Gewoon doen! En met doen bedoel ik kopen, die CD, en niet ergens heimelijk downloaden. De Raymond is ook maar aan hardwerkende Vlaming zoals u en ik. Bestolen worden verdient hij niet, daarvoor heeft hij ons al teveel luisterplezier verschaft.

Beste Raymond, van harte gefeliciteerd, en doe er nog veel jaartjes en liedjes bij!